Een bijzondere lift over Stuart Highway

Ik werd wakker door een furieus gebonk op de deur van mijn motelkamer. In mijn hoofd bonsde Thunderstruck van AC/DC nog door na een avondje doorzakken in de lokale disco van Katherine. Reisgenoot Carl was al in zijn onderbroek naar de deur gestrompeld. “For Christ’s sake, I’ve been waiting for you for nearly two hours”, beet Betsy ons toe.

Stuart Highway

Stuart Highway

Wie is Betsy?

Betsy was een tang van een wijf, een soort Margaret Thatcher met de intelligentie van Hyacinth Bucket, bejaard, met een Australisch accent. Drie dagen geleden waren wij, twee backpackende Hollanders met haar in contact gekomen via een advertentie bij de supermarkt in Darwin. Wij zochten een lift, zij zocht een chauffeur voor de rit in haar auto naar Alice Springs, een tocht van 1500 km dwars door de Northern Territories langs de kaarsrechte Stuart Highway. We waren pas in de middag vertrokken vanuit Darwin en hard mochten we niet rijden. De Stuart Highway is een oneindig lange, lege weg die Australië van noord naar zuid doormidden snijdt met om de 200 km een eenzaam tankstation. Er gold geen maximum snelheid. Dat weerhield Betsy er niet van om ons te houden aan háár maximale snelheid van 70 km/h. Ging de snelheidsmeter daar wat overheen dan ontving de chauffeur een pets op zijn dijbeen, waarna je het gas in een reflex los liet. Soms sukkelde de bejaarde kenau even in slaap en zag ik kans om even te planken, maar nadat zij door het geratel van een veerooster wakker schrok ging haar eerste blik naar het dashboard en volgde er weer een harde tik op mijn inmiddels gevoelige dij. Zo’n dame was Betsy.

Ver zouden we die dag niet komen, maar geen nood: Betsy had nog vrienden wonen in Katherine, de laatste behoorlijke plaats voordat de Outback echt zou beginnen. Met een kruissnelheid van 70 km/h haalden we deze plaats dan ook nog net binnen de 5 uur. Maar ja, waar vind je je vrienden als je geen flauw idee hebt waar ze wonen? De zoektocht duurde meer dan een uur, waarbij we op elke straathoek moesten stoppen en mensen aanspreken:

Excuse me, do you know where Peter Dean lives?

Als een wonder

Het huis van Peter Dean werd als door een wonder gevonden en we werden ontvangen door een man van over de 60, een belegen hippie, met een minstens twintig jaar jongere vrouw, Gwenda, die duidelijk haar tweede liefde in de fles had gevonden. Beide waren ze op z’n zachtst gezegd very casual gekleed. Gwenda in een te wijde bloemetjesjurk en Peter alleen in shorts. We hadden geluk, want ze waren net begonnen de barbie aan te steken. En nu konden wij inmiddels best wat substantieels gebruiken na ons de hele middag aan Cadbury repen te hebben overgegeven. Hoe gastvrij de familie Dean ook was, voor Carl en mij was er geen plek in de herberg en we werden afgezet bij een voordelig motel door de hippie-bejaarde. Betsy had inmiddels besloten haar verblijf bij de familie Dean voor onbepaalde tijd te verlengen. De volgende ochtend, toen we voor het ontbijt werden opgehaald, gaf ze ons aan dat we, als we wilden, wel zonder haar verder mochten liften. Nu is het vanuit Darwin vrij gemakkelijk om een lift naar het zuiden te krijgen, maar ben je eenmaal onderweg, dan zitten alle voertuigen gewoon vol, of ze moeten alleen in de buurt zijn. Het verblijf bij de Deans werd in de tussentijd wel steeds, hoe zal ik het zeggen, ‘gezelliger’. Dit waren duidelijk mensen uit het lagere sociale milieu en Gwenda had hoe dan ook Aboriginal bloed door de aderen stromen.

Op de tweede dag meldden we ons voor de barbecue aan het eind van de middag, maar die vond nooit plaats. Gwenda kon haast niet meer lopen en lag uitgeteld op de bank en Peter was kwaad op haar geworden omdat zij het vlees niet tijdig uit de vriezer had gehaald. In plaats daarvan verschenen flessen witte wijn op tafel en daar werd het ook heel gezellig mee. Met hooguit wat chips als bodem liepen we met de Cleath en Jessie, de tiener zoon –en dochter van het stel, rond een uur of tien nog even naar het centrum om iets van een loempia of een saté te bemachtigen. Geluid van muziek uit de pub waar we langsliepen zoog ons automatisch naar binnen. Buiten aan de muur hingen posters die een optreden aankondigde van Archie Roach, de bekende Australische folkzanger. Binnen stonden we al snel tussen een kleffe menigte die stond te deinen op All Men Choose The Path They Walk. Het was zijn toegift al en met een staande ovatie nam het publiek afscheid van de –met name onder Aboriginals- immens populaire zanger. Maar de pub ging nog niet dicht en op het podium maakte de band plaats voor een dj die met een aantal Australische gouwe ouwen het publiek op de dansvloer kreeg. Beastie Boys, AC/DC en Midnight Oil, het werk dat wel paste bij het publiek: arbeiders die het weekend kwamen vieren. En met Cleath en Jessie als gids langs de diverse bezoekers van deze pub duurde het niet lang of we feesten er lustig op los tussen alle Aussies.

En zo trof Betsy ons niet al te fruitig aan op de dag dat we het lange stuk naar Alice Springs zouden gaan afleggen. Na een snel ontbijt konden wij echter de hele wereld weer aan. En al snel raakten wij weer in discussie met Betsy over de snelheid van de wagen. Zelfs zeventig km/h ging vandaag te hard: het mocht maar zestig zijn. De aap kwam uit de mouw toen Betsy ineens over mijlen begon te praten, terwijl in dit land als sinds 1975 in kilometers wordt gerekend. Maar of het nu mijlen of kilometers waren, voor Betsy was dat allemaal het zelfde.

Wat zou beter lopen, het bier of de brandstof?

Wat zou beter lopen, het bier of de brandstof?

Nog 520 km tot Alice Springs

Bij Wycliffe Well stopten we voor een korte pauze. Pfoe, het was al 3 uur in de middag en Alice Springs was nog 520 km van ons vandaan. Dat zou nachtwerk worden. Wycliffe Well beschikte over een roadhouse met een aangename verrassing voor ons: binnen werden meer dan 300 soorten bier geschonken op een van de meest geïsoleerde plekken van het land. En daar moest op gedronken worden. Betsy trakteerde ons op een ijskoud glas Victoria Bitter. Ozzies zijn serieus over de temperatuur van het bier: in de pubs staan de glazen in een speciale vriezer waardoor er een flinterdun ijslaagje op je glas staat als het bier ingeschonken wordt. Met dit ene glas Australische gerstenat bleven we net binnen de promillage grens. We genoten ervan terwijl de dj op de radio The Dead Heart van Midnight Oil aankondigde. Hoe toepasselijk dit nummer zou zijn, zouden we binnen een half uur weten.

Op de parkeerplaats wierp Carl de autosleutels naar mij toe; het was mijn beurt om te rijden. De weg voor ons trilde van de hitte. Betsy lag al snel snurkend achterover, dus ik nam mijn kans waar en zoefde met 120 (km/h, geen m/h!) over het asfalt. Vanuit de verte kwam een stofwolk langzaam maar zeker op ons af: een road train. Het zijn vrachtwagens met drie of meer opleggers die met hoge snelheid over de Stuart Highway razen. De remweg kan tot duizend meter bedragen; deze gevaartes stoppen niet voor een paar kangoeroes op de weg, waarvan je dan ook meerdere kadavers langs de weg zag liggen. De combinatie die ons tegemoet kwam telde 4 lange opleggers en ik voelde een ruk aan mijn stuur op het moment dat de wagen ons passeerde waarna we voor enkele ogenblikken in de stofwolk opgingen.

En ineens waren ze er: opdoemend vanuit de stofwolk drie emoes die in gestrekte draf door de berm liepen, totdat ze geheel onverwachts besloten over te steken. Ik remde uit alle macht maar kon niet voorkomen dat de laatste vol in de flank geraakt werd. Betsy was ineens wakker en zag ook direct wat er gebeurd was. We stapten uit en zagen de zwaargewonde loopvogel midden op de weg, poot gebroken en ontvelde hals. “Oh what a bloody mess!” was het enige dat Betsy uit kon brengen. Er was geen redden meer aan; het beest moest uit zijn lijden worden verlost en wel snel.

Niet de emu die we raakten...

Niet de emu die we raakten…

Hit that bird!

Resoluut pakte de oude dame een krik uit de auto, het enige zware voorwerp dat ze zo snel kon vinden, en drukte die in mijn handen. “Hit that bird on its head as hard as you can!” gilde ze. Ik deed wat ik moest doen en met een doffe klap op zijn schedel hielp ik de emoe naar vogelhemel. Waarna Carl en ik het kadaver de berm in sleepten om het verkeer niet verder in gevaar te brengen.

Ik keek in de richting waar we vandaan waren gekomen en zag enkel nog de dodelijke stofwolk zich verder van ons verwijderen. De weg voor ons was even recht als de weg achter ons, zonder einde. Langzaam zette ik de Ford Laser weer in beweging, maar het eerste kwartier kwam de teller niet meer boven de zeventig. Als in trance reed ik de Stuart Highway zuidwaarts af met het nummer Sense of Touch van Mark Isham uit de film LA Crash dat uit de autoradio kwam. Ik weet niet meer of het op een radiostation was of afkomstig was van één van de cd’s die Carl regelmatig afspeelde maar voor mijn gevoel duurde dit nummer de rest van de weg tot aan Alice Springs.

Ik weet ook niet meer hoe laat we daar aankwamen maar het was al een flinke tijd donker. Ik had zo’n kramp in mijn rechtervoet vanwege het vasthouden van het gaspedaal op continue de zelfde lage snelheid, dat ik strompelend wegliep van de auto van Betsy. Op de balie van de backpackers waar ik in de felle tl verlichting incheckte lag de laatste editie van de Alice Springs News dat opende met de kop “Man Dies After Hitting an Emu on Stuart Highway”

 

Meer reisverhalen en tips zoals deze ontvangen?

Vul je e-mailadres in om te genieten van nieuwe reisverhalen en tips van onze contributors.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.