La vie rude d’ Ouessant – het ruige leven op Ouessant

Het is een zonnige ochtend in oktober, in Le Conquet ga ik aan boord van L’Enez Eussa III van rederij Penn ar Bed. De schipper bij de loopplank, reikt me zijn hand en trekt me aan boord. Ik vaar met hem mee en reis naar het uiterste puntje van Frankrijk, naar het eiland met korte vegetatie, loslopende schapen, imposante vuurtorens en witte kiezelstranden genaamd Ouessant.

La vie rude d’ Ouessant © Eva Hopstaken

Haven Ouessant

La vie rude d’ Ouessant © Eva Hopstaken

Haven Ouessant

Quessant

Ouessant, gelegen op zo’n 20 km varen uit de kust maakt deel uit van een archipel bestaande uit zeven eilanden. Slechts de grootste eilanden Molène en Ouessant zijn bewoond. Wandelschoenen, windjacks en verrekijkers zijn goed vertegenwoordigd aan boord. Een zilte zachte bries danst met de lokken van haar, terwijl ik op het achterdek door de verrekijker van mijn buurman tuur. De struise man draagt op zijn verweerde hoofd met diepe groeven een pet met daarop ‘Breizh’ [Bretagne] hij wijst me de vogels die tegen de ochtendzon voorbij suizen. “Gisteren was het een prachtige dag,” zegt hij. “Vogels kijken is een aangename hobby, maar dolfijnen in je kijker vangen, man dan kan je dag echt niet meer stuk.” De ferry legt aan bij een eiland ter grootte van een postzegel.  Molène is ruig. Wandelen is hier ideaal. “Vandaag ga ik een bewegwijzerde wandelroute lopen rond het eiland,” zegt een kwieke vijftiger die uit Brest komt. “De percelen, worden gescheiden door droge stenen muren, ze zijn klein, je overziet vrijwel het hele eiland.”

Tijdens het vervolg van de tocht waait het iets harder. Ik besluit binnen te gaan zitten en warm me met een kop thee. Een uur na het vetrek zet ik voet aan wal aan het uiterste puntje van Finistère, het eiland Ouessant. Laatste halte voor Amerika.

Ondine, een vlotte meid, klein van stuk wacht me op in de haven. Zij zal 24 uur lang mijn gids zijn, samen met haar ga ik het zeven kilometer lange eiland verkennen.

La vie rude d’ Ouessant © Eva Hopstaken

Hôtel Ti Jan Ar C’Hafé

Hôtel Ti Jan Ar C’Hafé

Ik heb een kamer geboekt bij Hôtel Ti Jan Ar C’Hafé, dat wordt uitgebaat door Jan. Ze wacht op me, leunend in haar voordeur. “Bonjour,” klinkt het en ze geeft me een ferme hand. Ze gaat me voor op de trap en wijst me mijn kamer, een zolderkamer met boutique inrichting, een bont gehaakte sprei, een vogelkooi als lamp, de houten vloer kraakt onder mijn voeten. Buiten klinkt het zachte getingel van een wind gong, relaxend in een van de comfortabele stoelen op de houten vlonder in de tuin hoor je de golven op de rotsen kapot beuken. Of ik het erg vind dat ze meteen weggaat, ze heeft een afspraak op het vasteland. Haar buurmeisje zal morgen voor het ontbijt zorgen. “En de sleutel?,” informeer ik. Domme vraag, de achterdeur is altijd open.

“Om het echte eilandgevoel te krijgen, moet je een paar nachten hier blijven,” zegt Ondine met haar Franse accent, terwijl ze Engels spreekt. “We leven hier zonder klok, zonder stress en ook zonder slot op de deur,” lacht ze wanneer ze me ongelovig ziet kijken. Heb ik dat goed verstaan? Zo leefde men toch in de vorige eeuw? Ik vraag haar naar meer details. Ze legt het uit: Ouessant kent een kleine tweehonderd vaste inwoners. Afhankelijk van het seizoen stijgt het aantal tot tussen de zeshonderd en achthonderd. “Dit zijn tijdelijke bewoners, mensen van het vasteland, tweede huis eigenaren. Iedereen kent iedereen” En ach, voegt ze er aan toe, je wil in zo’n kleine gemeenschap toch niet buiten de boot vallen.”

Een reeks eilandweetjes passeert de revue, van historie (het eiland was in de prehistorie reeds bewoond), het klimaat (milde winters) en over storm. De harde wind raast van oktober tot ongeveer mei over het eiland. “In 2013 was de storm zo hevig, dat zelfs mijn buurman van 93 jaar oud nog nooit zoiets had meegemaakt. Het was een moeilijke tijd, onze vissers konden twee maanden lang niet uitvaren.”

La vie rude d’ Ouessant © Eva Hopstaken

Ondine legt uit over eeuwenoud begrafenis ritueel, ‘proella’, genaamd.

Tot aan het begin van de 20e eeuw was het een stuk drukker op het eiland. Bijna 3.000 inwoners werden geteld, waarvan 1.400 bij de marine werkten. “De Franse bemanning werd te duur en er vielen veel ontslagen, het eiland liep langzaam leeg,” verklaart Ondine. “Onze kerk is heel groot ten opzichte van het huidige aantal inwoners. Tijdens de mis, zijn nu slechts een handvol kerkgangers te vinden.” En passant tovert Ondine nog een anekdote uit haar mouw. De toren van de kerk is geschonken door Koningin Victoria van Engeland. Op deze wijze wilde ze haar dank betuigen aan de inwoners van het eiland, die met man en macht de slachtoffers van een Engels schipbreuk leidend schip redden en verzorgden in 1896. We stoppen bij de begraafplaats achter de kerk. Ze laat me kennis maken met een eeuwenoud begrafenis ritueel, ‘proella’, genaamd. Schippers die op zee gebleven zijn, worden symbolisch begraven, door een gebalsemd kruisje in een kleine kapel op de begraafplaats van het dorp, bij te zetten. “Het is heel normaal om voor de echtgenoot en zoons een exemplaar ‘op voorraad’ te hebben.”

Met de komst van de stoomschepen ging het aantal ongelukken drastisch omhoog. Door de hogere snelheid, voer men sneller (roekelozer) en deden zich meer ongevallen voor. “De zee neemt, de zee geeft,” verzucht Ondine. Het wrakhout van de vergane schepen werd door de eilandbewoners zorgvuldig gerecycled tot meubels en andere gebruiksvoorwerpen.

La vie rude d’ Ouessant © Eva Hopstaken

restaurant La Duchesse Anne

Ik wandel samen met mijn gids verder naar restaurant La Duchesse Anne, we zijn net op tijd voor de lunch. Een gezin met drie tienerkinderen, die ik herken van de ferry tocht, stapt van de huurfietsen en schuift aan het tafeltje naast ons aan. “Laten we lekker langoustines eten,” zegt Ondine. “Ze zijn vanmorgen gevangen en het zijn de lekkerste die je ooit gegeten hebt.”

Onder de zonnestralen op het terras vertelt Ondine meer over zichzelf. “Op het eiland liggen de banen niet voor het oprapen, je moet je eigen job creëren. Ik besloot reisleidster te worden, een eigen onderneming te starten, Kalon – Eusa genaamd. Om niet afhankelijk te hoeven zijn van de visvangst, wil ik op deze manier mijn steentje bijdragen aan het toerisme op het eiland.” Het begon voor Ondine met het aanbieden van avondtours naar de verschillende vuurtorens op het eiland. Zo stimuleert ze bezoekers meer tijd op Ouessant door te brengen en overnachtingen op haar eiland een impuls te geven. “Dat werkte goed, ineens wilde bezoekers ook overdag met me op pad.” Tijdens het seizoen toont ze met heel veel liefde en plezier de bezienswaardigheden. Zodra de toeristen niet meer komen gaat ze de zee op. “Mijn man is visser, ik help hem vaak. Ik volg nu een opleiding tot kapitein. Als ik mijn examen gehaald heb, wil ik een boot kopen en toeristen mee de zee opnemen,” vertelt ze ambitieus.

“Nee,” klinkt haar resolute antwoord, wanneer ik haar vraag of ze er wel eens aan denkt het eiland te verlaten. “Mensen verwachten soms dat ik naar het vasteland wil trekken, naar de stad, maar niets is minder waar. Ja, mijn moeder komt uit Parijs, maar mijn vader is diep verankerd in het eiland. Op haar achttiende vierde mijn moeder met haar ouders vakantie op Ouessant. Ze werd verliefd op mijn vader, een zeebonk van 34. Ook al was het niet altijd makkelijk voor haar, ze woont sindsdien hier.”

La vie rude d’ Ouessant © Eva Hopstaken

Dekustlijn van Pointe de Pern.

La vie rude d’ Ouessant © Eva Hopstaken

De kustlijn van Pointe de Pern

Na een korte rit met de auto bereiken we de kustlijn van Pointe de Pern. Te midden van ruige kliffen bevindt zich de imposante vuurtoren Phare de Nividic. Het beeld doet me denken aan een eenzame soldaat die de wacht houdt. Langs een gekromd pad vol keien lopen we naar de restanten van de Villa des Tempêtes waar vroeger de misthoorn zich in bevond. Het verhaal gaat dat deze door paarden werd geactiveerd.

La vie rude d’ Ouessant © Eva Hopstaken

Stamcafé Yann Tiersen

Terug in Lampaul, het centrum van het eiland, vraagt de uitbater van het café waar ik ben geweest. “Bij de vuurtorens? Dan moet je vanavond zeker terug gaan. Prachtig, niet waar Ondine?” Ze knikt en geeft aan dat een bezoek aan de verlichtte bouwwerken vanzelfsprekend onderdeel van mijn programma is. Terwijl de café eigenaar aan de toog zijn krantje leest, neuriet hij zachtjes met de muziek mee. “Ken je dit nummer?” Eerlijkheid gebied me te zeggen dat het me niets zegt. “Het is Yann Tiersen, je weet wel de componist van de filmmuziek van Goodbye Lenin en Amelie.” De barman mengt zich opnieuw in het gesprek. “Yann heeft een huis hier op het eiland, hij komt regelmatig hier in het café,” zegt hij stralend. “Sterker nog,” voegt hij er aan toe, “Tijdens mijn vakantie heeft hij wel eens de boel hier draaiende gehouden.” Nu ik beter kijk, zie ik dat de vele lijsten aan de muur foto’s van de bekende artiest bevatten.

La vie rude d’ Ouessant © Eva Hopstaken

Handgemaakte souvenirs – L’Abri de Mouton

Aan het Place de l’église speur ik, net voor winkelsluitingstijd, naar leuke souvenirs. Isabelle is al 22 jaar eigenaresse van L’Abri de Mouton, een zelfde periode lang maakt ze de kleurige wollen schaapjes, geïnspireerd door het Ouessant-schaap, die ze verkoopt in haar winkel. “Onze schapen zijn maar klein,” vertelt ze. “Vanwege ons ruige klimaat met veel wind en regen hebben we een schrale grond en weinig te eten voor onze beestjes.” Ze mogen dan klein zijn, deze schapen zijn wel goed voor een grote wol opbrengst. Wol die Isabelle verkoopt in haar winkel en gebruikt voor het vervaardigen van originele souvenirs.

Ik neem de laatste hap van mijn dessert als Ondine voor m’n neus staat in restaurant Ty Korn. “Het beste van je verblijf, ga je nu meemaken.” We parkeren de auto op een pad vol keien en kuilen nabij de vuurtoren Créac’h. “Dit is een van de sterkste vuurtorens ter wereld”. Het is aardedonker, alleen het krachtige schijnsel van de vuurtoren verlicht af en toe de omgeving en de zee. Ik voel me klein, heel klein, aan de voet van dit enorme bouwwerk. Wanneer ik na dit spektakel terugloop naar mijn verblijf voor de nacht, groeten de mensen op straat me vriendelijk, ze lijken me na een dag op het eiland reeds te herkennen. Zonder enige aarzeling, loop ik via de achtertuin naar de deur die niet op slot zit en betreed het huis waar ik te gast ben. Die avond voel ik me – met het schijnsel van de vuurtoren in mijn kamer – een eilander.

De volgende ochtend, is het eiland in nevel gehuld. Het buurmeisje staat, zoals afgesproken, klaar met verse broodjes. Ik sta, 24 uur later, opnieuw op de kade, met een vleugje weemoed neem ik afscheid van Ondine en van het ruige Ouessant. Vanuit het meest westelijke puntje van Bretagne vaar ik de bewoonde wereld weer in.

La vie rude d’ Ouessant © Eva Hopstaken

L’Enez Eussa III

Groeten vanaf het einde van de wereld.

 

 

Meer reisverhalen en tips zoals deze ontvangen?

Vul je e-mailadres in om te genieten van nieuwe reisverhalen en tips van onze contributors.

Comments are closed.